We zouden het nu een reddingvest of een zwemvest noemen, maar het was een drijfharnas. Het stond nog aan het begin van een verdere ontwikkeling. De oorsprong van deze uitvinding gaat terug naar 1765. Jean-Baptiste La Chapelle was priester in Parijs. La Chapelle was een bijzonder mens, want hij was niet alleen priester, maar ook een mathematicus, die zich in 1747 al wist te rekenen tot het vermaarde instituut Fellow of the Royal Society in Londen. En verder was deze wiskundige priester ook uitvinder. Vooral de vraag hoe een lichaam in het water drijvende kan worden gehouden heeft hem sterk bezig gehouden en heeft geleid tot het bedenken van de scaphander. Het woord is afgeleid van het Griekse scaphos, dat boot betekend. La Chapelle gebruikte kurk voor zijn drijfharnas dat in die tijd echter beperkt verkrijgbaar was. Het verhaal gaat dat hij zichzelf in de Seine gegooid heeft met zijn scaphander en al drijvende kon demonstreren dat hij kon eten drinken en zelfs een pistool kon afschieten. Of de Parijzenaars hiervan onder de indruk waren is niet bekend, maar koning Lodewijk XV wél. Hij nodigde la Chapelle uit voor een demonstratie van zijn scaphander op zijn jacht-slot, maar de stroming was zo sterk dat la Chapelle al voorbij was gedreven voordat de Franse koning hem had gezien. Zijn boek ‘De scaphander, of De Konst om in de diepste Wa-teren dryvende te gaan en allerhande werk te verrichten’ is een Nederlandse vertaling die door toedoen van de Maatschappij tot Redding der Drenkelingen in het Nederland beschikbaar kwam. In 1828 kon de Amsterdamse uitvinder Adries Scheerboom een octrooi krijgen op de scaphander en wist deze verder te verbeteren. Gelijktijdig met de aankoop en het uittesten van Groenlandse sloepen in 1825 werden de scaphanders ook uitgeprobeerd, maar nadien moest de reddingmaatschappij veel moeite doen om de reddingwerkers deze daadwerkelijk te laten gebruiken, want de scaphander zat verre van gemakkelijk en belemmerde de bewegingsvrijheid van de reddingwerker. Maar niet alleen de reddingwerkers werden geacht de scaphander te dragen, ook de bemanningsleden op de schepen in nood. Ook daar viel nog een wereld te winnen. De ramp met de Straatdavisvaarder Willem I in 1825 onderstreepte dit om een wrange manier. De gebeurtenissen zijn voor de Reddingmaatschappij betekenisvol geweest en kunnen het beste gevolgd worden aan de hand van de brief die Andries Korff, bestuurder van Den Helder en betrokken bij het reddingwerk, schrijft aan de Amsterdams directeuren van de reddingmaatschappij.


Helder, den 21 ste october 1825
In den gepasseerden nacht, ten half één ure, werd mij berigt gebragt, dat er een schip aan strand was. Ik begaf mij da-delijk, vergezeld van den opper-strandvonder, onder een ijs-selijk weder van wind en regen, met een wagen naar Huis-huiden. Aldaar komende, ontdekte ik, dat de manschappen, tot de reddingboot behoorende, reeds met dezelve naar het strand vertrokken waren; doch bevond, toen wij mede naar het strand doorreden, dat het hooge water het onmogelijke maakte om het strand te kunnen passeren; doch dat de manschappen de boot aan denk kant van het duin verlaten, en zich ter plaatse daar het schip gestrand was (zijnde bij de kleine keeten) door de duinen begeven had, om, ware het mogelijk, aldaar dienstig te zijn en hulp te verleenen op de beste wijze. Zij hadden twee man bij de boot achter ge-laten, om, zoodra het water zoo veel viel, dat men het strand konde gebruiken, met de boot derwaarts te komen, hetwelk ons ook, even drie ure in den morgen, gelukte; dan, bij onze aankomst bij het schip, bevonden wij, dat hetzelve reeds geheel verbrijzeld was, en het aan eenen man der equipagie was gelukt met een stuk hout aan land te komen; dat het volk der boot nog vijftien anderen, langs een lijn, levend, doch onderscheiden meest bewusteloos, van de wrakken aan wal had gebragt, of bij onze aankomst bragt, en dat een, die op het wrak nog teekens van leven gegeven had, echter onder de bewerking van hem onder eenen balk van daan te krijgen, bezweek , aan wien wij op strand, naar de gelegenheid ons toeliet, alle pogingen vruchteloos te werk hebben gesteld, om dezelven in het leven terug te brengen. Uit den mond der geredden vernamen wij, dat het gestrande schip de Straatdavisvaarder, gevoerd bij Temke Huijgh, was; dat zij reeds ten acht ure in den avond door het breken van een hunner ankertouwen, op de stranden waren gekomen en hun schip als spoedig, door de woede der zee; aan stuk geslagen was, en dat de geredde zestien personen de eenige waren van de 46 man equipagie en den loods, die zich op dezelve gebonden hadden; dat de andere van tijd tot tijd daar waren afgeslagen, except zeven, die, even na de stranding, zich met eene sloep wilden redden, doch met dezelve omgeslagen en verdronken waren.

Een Amsterdams lid van de Reddingsmaatchappij zocht de pers met een open brief waarin hij de schuld voor de om-gekomen bemanningsleden bij de reders en scheepseigenaren neerlegde. ‘Dit droevig ongeluk levert daarvan maar alt de duidelijk het bewijs op, dat heeren Reeders of Eigenaars van schepen bij de uitrusting derzeve, geen de minste voorzorg gebruiken, om hunne equipagien van reddingsmiddelen te voorzien, zoo als, bijvoorbeeld den scapander of drijfharnas‘. Maar ook de Reddingmaatschappij had uit de scheepsramp met de Willem I een leermoment. De bemanning was te laat op de hoogte gesteld van de ramp en bovendien was door de hoge zee het niet mogelijk geweest om de reddingboot uit te doen varen. Dit was pas mogelijk nadat deze over het duin naar een andere plaats was getild. Omdat de aanleg van een nieuwe duinweg niet realiseerbaar was werden andere afspraken gemaakt om de red-dingwerkers te informeren. Hier liet de kracht van de nieuwe Reddingmaatschappij zich zien. Het wist lering te trekken uit de verschillende strandingen en wist daarmee de eigen organisatie te verbeteren. Het zou nog enige jaren duren voordat de nieuwe technieken echt bruikbaar waren. In 1874 werd een nieuw vuurpijltoestel geplaatst in Huisduinen. Deze kon een vuurpijl afschieten over het gestrande vaartuig. De lijn had een lengte van 500 meter. De scaphanders kregen in 1888 een aanmerkelijke verbetering door een ander soort kurk te gebruiken dat een stuk lichter was en daarbij ook een groter draagvermogen had. Het dragen van de scaphander door de bemanningsleden van gestrande schepen werd ook steeds meer gemeengoed. Al betekende het dragen van het drijfvest niet automatisch levensbehoud. Op 5 februari 1889 spoelde op Texel het lichaam aan van een bemanningslid van het op de Noorderhaaks gestrande Duitse barkschip Theodor Beherend. Het lichaam zat in een scaphander en was volgens de krant nog ‘versch’.