In de Volkskrant van 12 november 1949 schreef redacteur Ben van Doorn een prachtig artikel over Janus Kuiper, de stiefzoon van Dorus Rijkers. Janus Kuiper, de laatste der Vikingen, zoon uit het oude geslacht der zeevechters, broeder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en… slaaf van de zee.


In een rustige achterkamer van een stille straat in Den Helder, het stormnest in de kop van Noord-Holland, waar de windkracht altijd twee en een half maal zo groot is als in De Bilt; waar het zoveel waait, dat bomen er slechts moeizaam gedijen, rust een oude man van 94 jaar uit van een stormachtig, roemrucht slavenleven. Hij kan nog maar met moeite spreken en hij slaapt meer dan hij waakt van de ene herinnering naar de andere: de stem van het oude bloed roept nog maar zwak in hem en fluistert onafgebroken over ontelbare tochten in donkere maanloze nachten over de grondzeeën van het Marsdiep, naar de onbetrouwbare gronden van de Noorderhaaks, de Pannekoek, Onrust en de Razende Bols. Janus Kuiper heet deze oude man. De oudste der nog levenden van het eerste uur, in de geschiedenis van een maatschappij, die deze week de 125ste paal heeft bereikt. Een zoon uit het oude geslacht der zeevechters. Broeder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Zelf een leeuw, deze Janus, al z’n leven lang. Daarbij toch een slaaf, van de zee, van de dijk, waarachter hij werd geboren, van het werk, dat hem naast roem, bittere armoede en harde ontbering bracht. Janus Kuiper is nog van het ‘blikkie’ der allergrootsten: Dorus Rijkers, en de gebroeders Bakker, die nog legendarisch voortleven in Den Helder, Nieuwediep en Huisduinen, onder hun bijnamen Tabbie, de Gorrel en de Gul. Zij allen gaven hun leven, niet in de eerste plaats in de dienst der mensheid zoals in de romantische verhalen over de Blauwe Zeeridders te nadrukkelijk het accent valt, maar in de strijd op leven en dood om het hoofd boven water te houden. Die strijd vochten zij uit op en om een zeedijk, op de onbetrouwbare golven van de Noorderhaaks, in menige stormnacht als een schip aan de verraderlijke kusten langs het Marsdiep en bij Texel in nood geraakte. Deze mannen van het eerste uur, die hun vletten desnoods de hel in roeiden, moesten leven en in een schip in nood zagen zij een welkome buit, welke een schamel bergingsloon kon opbrengen. Dat zij van hun hellevaarten ook mensenlevens mee terugbrachten was een ongeschreven zeewet, een primitieve natuurcode, een betwisten van een prooi in een lijf-aan-lijf-gevecht met een erfvijandin: de zee. Janus Kuiper heeft de zee, zijn erfvijandin, liefgehad. Al deze mannen van Oud Den Helder hebben de zee liefgehad. Dat Oud Den Helder, dat de Duitsers hebben gesloopt, was een vooruitgeschoven post van het land, in de storm. De zee kon je er ruiken en proeven. Maar om de zee te zien, klommen de mannen op een dijk, hun dijk, de zwaarste ter wereld vóór de Afsluitdijk er kwam, en daar stonden zij uren, zwijgend en starend in lucht en water, zelf soms verbaasd over het mysterie, dat hen bond aan dit gure en verwaaide stukje wereld. Zijn leven lang heeft Janus Kuiper er van gedroomd om de zeven wereldzeeën te bevaren, gehoor te geven aan de stemmen, waarmee vreemde wezens hem riepen, als hij alleen in z’n vlet ver buitengaats ronddobberde om ‘een zooitje vis voor vrouw en kinderen te kunnen thuis brengen’. Denk niet, dat daar niet werd geleefd in Oud Den Helder. Wat er zich onder de daken van de lage huisjes in en om de Artilleriestraat heeft afgespeeld, is een ruige geschiedenis, vol primitief lawaai en barstend geweld. De rokerige Pottenwinkel van Diet Mos moet vaak hebben geleken op een zeeroversnest, waar mannenkracht in jenever een uitweg zocht, wanneer de jutters een voordelige sjouw hadden gehad en volgens een hechte traditie een deel van de buit samen verteerden.
Het waren echte vikingen, die ouwe mensenredders en tussen hen was de Gorrel de grootste ruwaard. Zonder fatsoen en zonder moraal. Hij woonde met z’n broers Tabbie en de Gul ergens in een krotje in een steeg. En als er geld was verdiend durfde niemand zich in de buurt er van te wagen. Want er werd gefeest tussen de planken muren, dat het steegje er van daverde en stoelen en tafels naar buiten vlogen. En de kinderen sloegen op de vlucht voor de krachttermen als basaltblokken. De Gorrel was meestal stomdronken als hij mee naar buiten ging, omdat ergens een schip lag te barrelen. En van Tabbie gaat het verhaal, dat hij heel op z’n eentje nog een keer terug ging naar een wrak, omdat er nog een varken aan boord was en hij trek had in karbonades. En van de wildeman Willem Rensmaag wordt verteld, dat hij na het bergen van de ‘König Wilhelm’, die een goudmijntje bleek voor de jutters, twee dagen z’n roes lag uit te slapen achter de duinen van Falga. Toen hij wakker werd zette hij z’n tanden in een groot stuk varkensvlees, dat zo taai was, dat Willem met z’n mes begon te hakken en een stuk van zijn neus mee afsneed. Zo leefden de Vikingen, waartussen Janus Kuiper is geboren en getogen. Op 11 mei 1856 werd hij in de Artilleriestraat geboren. Toen hij acht jaar was verdronk zijn vader bij een reddingspoging, omdat hij aarzelde onder het zwemmen de nieuwe kleren en laarzen uit te trekken, welke hem pas door een familielid waren geschonken. Janus’ moeder bleef achter met een stel kinderen en was te veel van zorgen vervuld om aandacht aan hen te schenken. Janus leefde een felle en snelle jeugd. Zijn lange gestalte en knap profiel werden graag gezien op de dijk door de Helderse meiden. Het vrouwvolk van Oud Den Helder nam in die tijd wat het krijgen kon van het leven, want de jeugd was kort en al te snel kwamen de grauwe armoede en de bittere ellende om haar gezelschap te bieden tot aan de dood toe.

Een echte jutter
Janus Kuiper leefde de jeugd van een echte jutter, hij leerde de roep verstaan van de nachtelijke kanonschoten, welke de in nood geraakte zeilschepen loslieten om hulp te vragen. Hij keek de haringvissers de kunst af, en van Dorus Rijkers het vletteren. Vletteren was een belangrijk bestaansmiddel voor de jutters als er geen schepen in nood verkeerden. In die dagen was er nog geen Noordzeekanaal en de Oostinjevaarders zochten de ree van Den Helder als zij thuisvoeren. Een gevaarlijke ree, want menig schip liep. zich te pletter in het onbetrouwbare water, dat tot die ree toegang geeft. Liep zo’n Oostinjevaarder de haven binnen of werd hij reeds van verre gesignaleerd, dan renden de jutters uit hun huizen en schoven hun boten van de dijk, roeiden om het hardst wie er het eerste bij was. Dan wierp men van boord een lijntje en loodsten de jutters het schip de haven binnen. In deze kunst van het vletteren was Janus Kuiper bedreven als geen. Hij kende alle hoeken en gaten van het Marsdiep en de gronden van buiten. Hij had de faam een groot zeeman te zijn, die aan het ritme van de riemen de plaats van de vlet kon herkennen. Dat heeft hij eens bewezen, door een paar kameraden in een dikke mist recht toe recht aan van de visvangst thuis te varen, ergens van de Razende Bol of de Noorder Haaks. Het leek wel of de duivel ons thuis had gevaren, zeiden de kameraden, of Janus aan Onze Lieve Heer zelf de koers had gevraagd.

Een taak: een slavenleven
Janus moet anders zijn geweest dan de anderen uit het Vikingen nest. Hij verzoop zich niet in de jenever zoals de anderen. Hij dacht meer na ever wat z’n plaats in het leven was en wat de zee van hem wilde. Nooit is hij er toe gekomen om uit te varen over de wereldzeeën. De zekerheid, dat hij voorgoed gebonden was aan het Nieuwediep, kreeg hij toen hij te vissen lag op de Doggersbank, zijn verste reis, nadat hij een jonge matroos, die over boord gevallen was, het leven had gered. Janus Kuiper is misschien een der weinigen onder de mensenredders geweest, die op een gegeven moment dat mensen redden als een taak voor zich zag. Omdat hij de zee, waarmee hij zelf eeuwig niet alleen buitengaats, maar ook in z’n hart had te vechten, de gunde. Janus werd zich toen ook bewust, dat hij bestemd was een slavenleven te leiden. Zijn leven kon niet anders zijn dan een slavenleven: want in Oud Den Helder was geen ander leven mogelijk, dan vissen, vletteren, sjouwen maken op een giftige, vuile zee en met doodsverachting varen naar schepen in nood, om te verdienen, om mensenlevens te behouden. Was het de wil tot redden die Janus dreef, of de stem van het oude bloed van generaties jutters, die eeuwenlang op hun stranden de aangespoelde buit, van omgekomen schepen verstopten en minder waarde hechtten aan ’t gezwollen lichaam van een dode man dan aan een vaatje specerijen? Wie zal het zeggen? Janus heeft zich tijdens zijn leven deze vraag meerdere malen voorgehouden en het tenslotte maar opgeven er een antwoord op te geven.

Dorus Rijkers
Janus Kuiper is een stiefzoon van Dorus Rijkers. Dorus was twintig jaar, toen hij het huisje van moeder Kuiper binnen stapte en op zijn kort aangebonden manier de weduwe ten huwelijk vroeg. Janus was toen achttien en het heeft tussen hem en Dorus nooit goed geboterd. De faam van Dorus Rijkers als zeeman, als mensenredder, was bekend langs alle kusten van Europa. Hij was een stugge, gesloten man, met altijd opeengeklemde lippen, een geladen spanning met zich meedragend, welke hem van alle anderen afzonderde. Als Janus Kuiper en Dorus Rijkers elkaar in de ogen keken, dan herkende de een de kracht van de ander. In Janus stak dezelfde kracht, hetzelfde zeemanschap en daarom konden hij en z’n stiefvader niet met elkaar overweg. Dat was geen jaloezie, maar een natuurwet. Waar in de natuur twee krachten naast elkaar leven, ontstaat een botsing. En om deze botsing te voorkomen, ruimde Janus het ouderlijk huis, toen Dorus er binnentrok. En toen hij later zelf was getrouwd, sprak hij niet te veel met Rijkers. De mannen meden elkaar. Zodra echter hadden de kanonschoten over het Marsdiep gedaverd en stonden de jutters, ijlings in hun kleren geschoten, op de dijk als baardige Noormannen uit te kijken lichtsignalen van het schip in nood, zodra was de reddingboot in het water geschoven, of Janus Kuiper en Dorus Rijkers waren één in een zwijgende erkenning van elkaars zeemanschap. Daar waar hemel en aarde onder het geweld van de storm de nietige mensen op de rug vielen, konden twee gelijke krachten elkaar verdragen, hadden zij elkaar nodig in het vreselijke torment, waarin alle duivels uit de hel de zee opzwepen tot één giftiggroene, ziedende razernij.

Medailles en armoe
’t Gebeurde, dat steeds weer de kranten vol stonden over de Blauwe Zeeridders van het Marsdiep. Steeds weer doken de namen op van Rijkers, Kuiper en anderen. Een wilde ploeg mensenredders, die de ene medaille na de andere kregen uitgereikt, die verslaggevers inspireerden tot romantische, heroïsche verhalen over het kerelswerk, dat daar in Den Helder werd verricht, waarin ook werd gewezen op het armelijke bestaan, dat deze kerels moesten leiden. Het was het bestaan van alle mannen van het eerste uur, die ondanks zichzelf pionierswerk verrichtten. Wat voor hen werd geboren uit de nood van hun bestaan, groeide voor anderen uit tot de mensenliefde van een georganiseerd reddingswerk. Pionierswerk wordt niet beloond, nooit. Er zijn vele oude mensenredders onder kommervolle omstandigheden gestorven, wanneer zij de heksentoer volbrachten om een natuurlijke dood in een bed te sterven. Van de mannen van het eerste uur leven er weinigen meer. Janus Kuiper is een der laatsten. Als hij zich nu met zn laatste krachten opricht in het bed, waaraan hij ligt gekluisterd en zn bezoeker aankijkt met die verre blik, die allen hebben, die lang in de zee hebben getuurd, dan zegt hij, dat zn ouwe vriend Maart de Mooy in Callantsoog nog leeft. De laatste der Vikingen deze twee. Hun geest dwaalt nog over het Marsdiep en Janus zegt met zwakke stem, dat het leven geen waarde meer had, als je eenmaal daar aan het rondzwalken was, om welke reden dan ook. „Een mens was arm en een mens bleef arm,” zegt Janus, als hij vermoeid van het praten achterover in de kussens zinkt, moe van het leven, moe van de vijfhonderd mensenlevens, die hij zijn erfvijand èn eeuwige liefde, betwistte.

Monument begraafplaats Den Helder, ter nagedachtenis aan Janus Kuiper. Twee redders die een drenkeling uit het water halen


De tijden zijn veranderd. Janus Kuiper heeft gezwoegd en getobd tot hij niet meer kon. Hij was visser, vletterman, kolensjouwer, jutter en mensenredder en nauwelijks kon hij de kost verdienen voor vrouw en kinderen. De tijden zijn veranderd. Nu vaart er een geperfectionneerde vloot van motorreddingboten, een georganiseerd bedrijf, met een vaste bemanning met vast salaris. Hun pensioen is geregeld. Het zijn kalme, rustige burgers, die hun dagelijkse plicht doen. Maar Janus Kuiper heeft gezwoegd en getobd, zijn leven lang. En de enige conclusie, waartoe hij na zijn vechtersleven kon komen, is dat hij arm was en arm bleef… Gelukkig, dat de tijden veranderen. Maar de grondzeeën blijven even verraderlijk zich verheffen uit het Marsdiep. Nog staat de zee er soms duister en dreigend huizenhoog gereed om man en muis te vernietigen van de stoomsehenen. die de olaats der oude zeilscheoen hebben ineenomen. De zee is gebleven en het krijsen der meeuwen én het mysterie, dat uiteindelijk toch het leven van Janus Kuiner verklaart.