Enkele kranten doen begin maart 1890 bescheiden bericht over het vuurschip Haaks dat voor het eerst de lichten heeft ontstoken bij Noorderhaaks. Een vuurschip wekt de indruk dat een echt vuur wordt ontstoken op het schip, maar op de lichtschepen van de 19e eeuw was dat al niet meer het geval. De houten lichtschepen hadden lantaarns met olielampen die in de nok van de ra werden gehesen. In 1825, enkele tientallen jaren voordat sprake was van een lichtschip op de Haaks, beschikten de Engelsen al over een vuurschip. Er zijn tientallen jaren voor nodig geweest om tot een besluit te komen over een te plaatsen lichtschip. Niet iedereen was voorstander van een lichtschip in het zeegebied van de Haaksgronden. In het Algemeen Handelsblad van 28 januari 1842 werden stevige bezwaren geuit. Een lichtschip zou te te duur zijn, zowel in aanschaf als in onderhoud, het schip zou teveel gevaar lopen van de ankers losgeslagen te worden bij storm en bovendien zou een vaste vuurtoren veel meer het vertrouwen hebben van schippers dan een vuurschip. Als laatste argument werd genoemd dat het overstappen van loodsen op een lichtschip bij slecht weer een gevaarlijke handeling is die ongetwijfeld mensenlevens zou kosten. De eerste argumenten konden geen standhouden, het laatste argument bleef bestaan, maar was blijkbaar onvoldoende zwaar om de plaatsing van een lichtschip te voorkomen. In 1889 lagen daarmee de zaken anders. In een vergadering van de Kamer van Koophandel werd een brief behandeld van de Vereeniging van Assurandeuren waarin aangedrongen werd om snel maatregelen te nemen omdat het kustlicht van Kijkduin, ondanks de eerder genomen maatregelen, te weinig sterkte heeft om als veilig baken te dienen voor schepen in de nabijheid van de zandgronden. De assurandeuren drongen aan op een keuze. De klachten kwamen vooral van zeevarenden uit Hamburg via het Lloyd’s Commitee te Londen. Opgemerkt werd dat het aantal strandingen op de Haaksgronden bijzonder groot was, 57 strandingen tussen 1878 en 1888. Meer druk vanuit Lloyd’s was niet nodig, het Ministerie van Marine had namelijk al besloten tot het plaatsen van een lichtschip op het meest westelijke deel van de Haaksgronden. De snelheid waarmee nu gehandeld werd voorkwam misschien een verder ingrijpen van de Duitse regering, want het Utrechts Dagblad van 1890 suggereerde dat de Duiters zelf een lichtschip zouden plaatsen. Een Duits lichtschip op Nederlandse zeebodem zou ontoelaatbaar zijn, waardoor nu snel werd besloten tot het plaatsen van een lichtschip en zo werd begin maart 1890 tijdens een stormachtige nacht voor het eerst het licht ontstoken op een tijdelijk lichtschip, dat niet meer was dan een omgebouwde kanonneerboot. Schipper Smit van de rederij Uitdenbogaardt rapporteerde dat het lichtschip op verren afstand een zeer helder en constant licht verspreidt, zodat het onmogelijk tot verwarring met andere schepen aanleiding kan geven en voelt zich daardoor gedrongen om mede namens vele anderen zijn dank aan de Regeering te betuigen, voor de plaatsing van dit zoo noodig en tegelijk zoo uitmuntend voldoend vuur. Ondertussen heeft het Ministerie van Marine opdracht gegeven tot de bouw van een nieuw lichtschip.

Als in 1892 lichtschip Haaks gereed komt bij Scheepswerf De Nachtegaal heeft de werf van de gebroeders Meursing al een grote staat van dienst opgebouwd. De werf aan het Amsterdamse Westerdok was aanvankelijk bedoeld voor enkel scheepsreparaties, maar vanaf 1853 kwamen er veel nieuwe schepen van stapel. De lijst met gebouwde schepen is zeer indrukwekkend. Meursing levert brikken, schoeners, clippers, barken en brikken en in 1892 levert Meursing twee lichtschepen af waaronder Haaks no. 4. Deze duiding kan erop wijzen dat het nu gebouwde lichtschip de vierde was van Meursing. Nadat Haaks van de werf is gelopen werd het spoedig daarna door het Noord Hollands Kanaal gesleept om op de Rijkswerf Willemsoord te worden afgebouwd.