Aan het begin van de 20e eeuw kwam de zandplaat Onrust vast te zitten aan het eiland Texel, daarmee was Onrust geen gevaarlijk drijvend eiland meer en dat was maar goed ook. De zich verplaatstende zandplaat Onrust, is goed voor heel wat strandingen en schipbreuken in de 19e eeuw, tegelijk kwam het ook voor dat de zandplaat diende als vluchtplaats. Als schipbreukelingen in zee al zwemmend de zandplaat hadden bereikt konden ze daar verdere hulp afwachten. In 1863 deed zich dit voor. In oktober van dat jaar strandde de Engelse brik Blossom. Het schip was niet meer te redden. De bemanning had het schip met een sloep verlaten, maar kon de vaste wal niet bereiken en besloot daarom de nacht door te brengen op Onrust. Het werd een koude en angstige nacht, maar de volgende ochtend konden ze door te hulp geschoten vletterlieden uit Nieuwdiep worden geholpen. Het liep niet altijd goed af. In november 1875 deed zich een dramatische schipbreuk voor, waarvan de toedracht niet bekend is. Het was enkele schelpenvissers opgevallen dat bij Onrust enkele wrakken lagen en dat bovendien de zandbank bezaaid was met koper, touw en zeildoek. Even verderop troffen de schelpenvissers het lijk aan van een jongen, nauwelijks gekleed. De jongen had zwemmend Onrust bereikt en was daarna door uitputting en koude bezweken. De dagen daarna bleek dat het een Italiaanse brik was gweest die met lijnzaad onderweg was naar Amsterdam. Het dramatische verhaal onderstreepte opnieuw het belang om op Onrust een reddingkaap te plaatsen.

De start om daadwerkelijk tot een reddingkaap te komen werd gegeven door de Texelaar Willem Metz (1846-1920). Naar aanleiding van de dood van de Italiaanse jongen op Onrust dichtte Metz, die al eerder verhalen en gedichten had geschreven, een gedicht over deze gebeurtenis. Het lange gedicht vertelt hoe Piëtro zijn moeder in Genua verliet om te gaan varen en hoe hij uiteindelijk stierf op Onrust.

Stelt gij, o menschenvrienden! ’t heil

des schepelings op prijs,

Zorgt dan dat, waar Piëtro stierf

Een reddingbaak verrijz’.

Het gedicht van Metz had indruk gemaakt. Hij had het zelf voorgelezen tijdens een vergadering van de Societeit Neptunus in Oudeschild. Deze societeit maakte er werk van en spande zich in om de reddingkaap te laten bekostigen door de overheid. Begin juli 1876 kon de eerste proefpaal geheid worden op Onrust. In 1877 kon de reddingkaap in gebruik worden genomen, een vierkante hut van 2 meter op palen. De hut was via een ijzeren trap bereikbaar. De reddingkaap heeft jaren goede dienst gedaan, maar werd in 1893 door een storm weggeslagen. De hut is daarna herbouwd en verplaatst. Na het verhelen van Onrust aan Texel was de reddinghut niet meer nodig.