In ’t Vliegend Blaadje van 2 oktober 1912 wordt verslag gedaan van een merkwaardige redding van een kok die van boord is gevallen, in de buurt van de Haaksgronden.

In de nacht van donderdag op vrijdag geraakte een man overboord van een boot, en na geruime tijd te water te hebben gelegen, werd de man, die niet zwemmen kon, opgepikt door een Helderse vissersman. Allerlei fantastischse verhalen deden hierover de ronde en omdat de man nog in Den Helder verblijf hield, leek het ons belangrijk genoeg er eens op uit te trekken om wat meer bijzonderheden te weten te komen. De officiele lezeing van de geschiedenis is als volgt.

De kok van het Duitse stoomschip Guntomar van de Hamburg-Bremen-West Afrika-Linie, op weg van Hamburg naar West Afrika, is in de nacht van 26 op 27 van deze maanden over de achtersteven overboord gevallen, zonder dat zulks waarschijnlijk aan boord opgemerkt is. Na enige tijd in het water gelegen te hebben en zich met veel moeite boven water gehouden is hij door schipper Post van Den Helder, wiens schuit het enige vaartuig was in de omtrek, opgepikt en aan boord genomen en vrijdagmiddag te Helder aangebracht. De kok heet Johann Ruckdeschell, werd door de vice-consul alhier ondergebracht, van kleren voorzien en vertrekt maandagmorgen naar Amsterdam.

’t Had echter heel wat in, Ruckdeschell te pakken te krijgen. In zijn logement troffen we hem niet. Hij was de hele dag bij zijn redder, schipper Lauwe Post. Wij trokken daar ’s avonds heen en vonden de gehele familie om de avondboterham verenigd. Daar was moeder Post, blozende, glundere Urkse, met het Urker mutsie op. Zijn trooonde aan het hoofd van de tafel in een gemakkelijke leunstoel. mocht ook wel: als je de hele dag zo met vis vent… Dan de schipper: blozend en glunder in de vergrotende trap, het zondagse sigarenpeukje in de mond. Hierop volgde de held van dit verhaal: een knappe, wel gemaakte, nog jonge man, wien men de geleden ontberingen nog aanzag. Verder: de schipperskencht, die zo’n beetje de honneurs waarnam, en twee meisjes. De schippersknecht was bang dat meneer niet met de taal terecht kon. ‘Of hij het maar van me overnemen zou?’ Maar toen ‘meneer’ de schipbreukeling in ’t Duits toesprak, begreep hij, dat geen tolkdiensten nodig waren. Ruckdeschell, nog gans niet bekomen van de uitgestane angsten en ontberingen, fleurde op toen wij hem een sigaar offreerden. Hij verhaalde, dat hij plotseling onwel geworden was, zich over de verschaning boog en toen door een golf, die de boot opzij wierp, overboord sloeg. ‘Ik geraakt in het zog van de schroef’, zo zei hij, ‘en was aanvankelijk m’n positieven kwijt. Toen ik weer bijkwam, was de boot weg… Nein, der Todesangst; ich habe Frau und drie Kinder zu Hause, schrecklich, schrecklich.’ De herinnering daaraan versomberde ’s mans gelaat. ‘In het water staand, heb ik, met handen en voeten werkend, me drijvend gehouden.’

‘Denk eens, meneer,’ wierp de knecht er tussendoor, ‘als maar met handen en voeten gewerkt, en dat iemand, die niet zwemmen kan.’

‘Ja,’ kwam de schipper, ‘ik dacht eerst dat-ie zwom en toen riep ik hem toe dat-ie maar naar ons toe most kommen. Maar-ie kon niet zwemmen, meneer. En dan maak je je zenuwachtig, dat-ie voor je ogen verdrinken zal. Ik was wat blij, dat we ’n ‘m binnen boord hadden, meneer, en toen docht ik nog dat-die d’r niet van opkwam. Hij had nog benul om zich vast te grijpen, maar met dat-ie op het dek was, was-tie weg en zakte in mekaar. Toen hebben we ‘m bijgemaakt en ‘m flink warm onder de wol gestopt en toen heeft-ie tot tien uur geslapen.’

‘Och ja,’ nu was moeder Post aan ’t woord. ‘Hij eet nog niks, meneer, van de skrik. Toe jong’. Op het kopje koffie met de koekjes wijzend, ‘je mot eens drinken’. ‘Nein, danke,’ zei Ruckdeschell, ’t was ‘m te machtig.

‘Z’n pantoffels had-ie nog an, meneer’, zei de knecht weer, ‘wel een bewijs, dat-ie niet zwemmen kon. En toen we aan wal kwame’ riepe de mensen: ‘hei skipper, wat hei-je nou voor een bakker bij je? U begrijpt, hij was in z’n kokspakje.’ Aandoenlijk was het te zien, hoe de vrouw van Post de drenkeling met al haar sympathie en innige hartelijkheid omringde. Het goedige gezicht glom van genoegen als de man de koffie opslurpte, hetgeen hij nog machinaal, wezenloos deed. Blijkbaar vertoefden zijn gedachten nog bij het schrikkelijke, dat hij doorleefd had, dat hij, staande in het water, zich in doodangst boven hield door de zwembewegingen met handen en voeten, voor zijn ogen het visioen van thuis waar zijn vrouw en kinderen zaten, ontwetend van het lot, dat hun vader boven het hoofd hing, nu en dan gedeeltelijk met zijn gezicht onder water, tegen wil en dank het zoute zeewater slikkend, niets ziende, zover het oog reikte dan de eindeloosheid van de zee en de onmeedogende golven, trachtend hem te vermeesteren. Dat hij, met ijzeren wil en in de doodangst tot het uiterste gespannen zenuwen, al maar trapte, trapte.. Dat hem de minuten uren leken en hij zich voorbereidde tot de dood, met een laatste gedachte aan de dierbare, die eenzaam in Hamburg achterbleven. Dat hij eindelijk, eindelijk het ziel zag van de HD 180, en de schipper hem toeriep te zwemmen… dat alles trok hem in zijn geest voorbij; was het wonder dat het eten hem niet smaakte dat hij de koffie liet staan dat hij woordkarig was en eenzelvig?

‘Nou meneer,’ zie vrouw Post, toen wij aanstalten maakten om heen te gaan. ‘U kan gerust in de krant zetten, dat het een merkwaardige redding was. Van de 1000 gevallen zou er niet één zo goed aflopen als dit.’ En ere brengend, wien ere toekomt, zij hier een ere-saluut gebracht aan de wakkeren schipper Lauwe Post en diens knecht Klaas Slotemaker, voor de mwerkwaardige redding die zij mogelijk maakten. Vermeld moet nog, dat de plaats waar Post de Duitse kok vond 7 uur ten N.-W van IJmuiden is en dat er 17 vaam water stond.